Fragmenten uit Alternatieve Evangelie-Lezingen.
Uit de eerste eeuwen van het christendom.
Uit het Protevangelie van Jakobus, hfst 4-6 (ca. 150 n.Chr.; uit Palestina?)
“En zie, een engel van de Heer kwam naar haar (dwz. naar Anna, de latere moeder van Maria, dus: de oma van Jezus, GN) toe en zei: “Anna, Anna, de Heer heeft je gebed verhoord.
Je zult zwanger worden en een kind krijgen en de hele wereld zal over je nakomeling spreken.” En Anna zei: “Zo waarlijk als de Heer, mijn God leeft, wanneer ik een kind zal krijgen, of het nu een jongen of een meisje is, ik zal het aan de Heer mijn God opdragen en het zal hem dienen al de dagen dat het leeft.” – Haar maanden werden vervuld, zoals de engel had gezegd: in de negende maand beviel Anna. En ze zei tegen de vroedvrouw: “Wat is het?” En de vroedvrouw zei: “Een meisje.” Toen zei Anna: “Mijn ziel is deze dag grootgemaakt.” En ze legde het kind neer. En toen de dag daarvoor was aangebroken reinigde Anna zichzelf, gaf het kind de borst en noemde haar Maria. – Dag in dag uit werd het kind sterker. Toen ze zes maanden oud was, zette haar moeder haar op de grond om te zien of ze al kon staan. En ze deed zeven stapjes en kwam naar de schoot van de moeder terug.”
Uit het Protevangelie van Jakobus, hfst 21.22
“En Herodes zei tot hen (de ‘Magiërs’ uit het Oosten): “Gaat heen en zoekt, en indien gij (hem) vindt, boodschapt mij, opdat ook ik zal komen en hem zal aanbidden. En de magiërs gingen heen. En zie, de ster die zij … gezien hadden, ging hun voor totdat zij in de spelonk kwamen, en zij bleef staan boven het hoofd van het kind. En de magiërs zagen het kind met zijn moeder Maria en brachten uit hun reiszak geschenken te voorschijn, goud, wierook en mirre. En nadat ze gewaarschuwd waren door de engel om niet naar Judea te gaan, trokken ze via een andere weg naar hun land. [vgl. Matteüs 2: 7-12]
Toen Herodes bemerkte dat hij door de magiërs bedrogen was, werd hij toornig en zond moordenaars, zeggende al de zuigelingen vanaf twee jaar en daaronder te doden. En toen Maria hoorde dat de zuigelingen werden gedood, werd zij bevreesd, nam het kind en wikkelde het in en legde het in een voederbak voor runderen….” [vgl. Matteüs 2: 13-18]
Uit het Evangelie van Nicodemus (Handelingen van Pilatus), hfst 2
(2e-4e eeuw n. Chr.; herkomst onzeker)
“Toen antwoorden de oudsten van de joden en zeiden tegen Jezus: “Wat zullen we zien?
In de eerste plaats dat je een buitenechtelijk kind bent; in de tweede plaats dat je geboorte de moord op de kinderen in Bethlehem tot gevolg had en in de derde plaats dat je vader Jozef en je moeder Maria naar Egypte zijn gevlucht omdat ze zich onder het volk niet konden vertonen.”
Er stonden daar enige vrome joden bij die zeiden: “We zeggen niet dat Hij buitenechtelijk is want we weten dat Jozef met Maria verloofd was en hij dus niet buitenechtelijk is … we waren aanwezig bij de verloving van Jozef en Maria.”
Uit het (Kindheids)Evangelie van Thomas, hfst 2-4
(2e eeuw n.Chr.; Palestina?)
“Toen zijn zoon Jezus vijf jaar was, speelde Hij bij een doorwaadbare plaats van een beek en verzamelde in poelen het water dat langs stroomde en maakte het meteen schoon en beval door zijn woord alleen.
Hij maakte zachte klei en boetseerde er twaalf mussen van. En het was sabbath toen hij dat deed en er waren nog vele andere kinderen die met hem speelden… En toen Jozef naar de plek kwam en het zag, schreeuwde hij naar Hem en zei: “Waarom doe jij op de sabbath wat niet gedaan mag worden?” Maar Jezus klapte in zijn handen en riep naar de mensen: “Weg met jullie!” En de mussen stegen op en vlogen tjilpend weg.
Maar de zoon van de schriftgeleerde Annas stond bij Jozef en hij nam de tak van een wilg en verspreidde het water dat Jezus had verzameld. Toen Jezus zag wat hij gedaan had, werd Hij woedend en zei: “Jij onbeschaamde, goddeloze domoor, wat voor kwaad deden de poelen en het water jou? Ook jij zult nu verschrompelen als een boom en geen bladeren dragen, noch wortels noch vruchten.” En onmiddellijk verschrompelde die jongen volledig… De ouders van de jongen namen hem mee, beweenden zijn jeugd, brachten hem naar Jozef en verweten hem: “Wat voor een kind heb jij, dat zulke dingen doet.”
Hierna liep [Jezus] weer door het dorp waar een rennend jongetje tegen zijn schouder stootte. Jezus was geïrriteerd en zei tegen hem: “Jij zult je weg niet vervolgen,” en het kind viel onmiddellijk neer en stierf. Maar sommigen die zagen wat er gebeurde, zeiden: “Waar komt dit kind vandaag, want elk woord van hem is een vervulde daad.” En de ouders van het dode kind kwamen naar Jozef en gaven hem de schuld en zeiden: “Omdat jij zo’n kind hebt, kun je niet bij ons in het dorp wonen; leer hem anders te zegenen en niet te vervloeken. Want Hij vermoordt onze kinderen.”
Uit het Arabische Evangelie van Jezus’jeugd; hfst. 23-24
(5e eeuw n.Chr.; Arabië?)
“Jozef en Maria kwamen bij een plek in de woestijn en toen zij hoorden dat hij geteisterd werd door roofovervallen besloten zij ‘s nachts door het gebied te trekken. Maar onderweg zagen zij twee rovers op de weg liggen en bij hen was een groep rovers die erbij hoorde en ook sliep.
Deze twee rovers nu, in wier handen zij gevallen waren, heetten Titus en Dumachus. En Titus zei tegen Dumachus: “Ik vraag u laat deze mensen vrij en zodanig dat uw metgezellen hen niet zien.” Maar Dumachus weigerde dat en Titus zei opnieuw: “Neem veertig drachmen van mij als onderpand.” Tegelijkertijd gaf hij hem een gordel die hij om zich heen droeg opdat hij zijn mond zou houden en niet zou spreken.
Toen de edele vrouwe Maria zag dat de rover vriendelijk tegen hen was, zei ze tegen hem: “de Here God zal u met zijn rechterhand steunen en uw zonden vergeven.” En de Here Jezus sprak en zei tegen zijn moeder: “Over dertig jaar moeder, zullen de joden mij in Jeruzalem kruisigen, en deze twee rovers zullen met mij aan het kruis genageld worden: Titus aan mijn rechterhand en Dumachus aan mijn linker en na die dag zal Titus mij voorgaan in het paradijs.” En zij zei: “God beware je daarvoor, mijn zoon.”
Uit het Evangelie der Hebreeën, vers 4 (1e helft 2e eeuw n.Chr.; Egypte)
“Het geschiedde nu, toen de Here uit het water was opgestegen, dat de gehele bron van de Heilige Geest neerdaalde en op Hem bleef rusten en tegen Hem zei: “Mijn Zoon, in alle profeten verwachtte Ik U, dat U zou komen en Ik in U zou rusten. U toch bent Mijn rust, U bent Mijn eerstgeboren Zoon, die regeert in eeuwigheid.”
Vgl. Matteüs 3: 16.17: “Zodra Jezus gedoopt was en uit het water omhoogkwam, opende de hemel zich voor hem en zag hij hoe de Geest van God als een duif op hem neerdaalde. 17 En uit de hemel klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde.’”
Een aantal fragmenten uit het Evangelie van Filippus
(2e-3e eeuw n.Chr.; Syrië?)
“Drie vrouwen trokken altijd met de Heer op: Maria, zijn moeder, zijn zuster en Maria Magdalena, die zijn metgezellin wordt genoemd. Want zowel zijn zuster als zijn moeder als zijn gezellin heetten Maria.” (32)
“De Verlosser hield meer van Maria Magdalena dan van alle andere discipelen en kuste [haar] vaak op de mond. De andere discipelen … zeiden tot hem: “Waarom houdt u meer van haar dan van ons?” De Verlosser antwoordde hen: “Waarom hou ik niet van jullie zoals van haar?. Wel, als een blinde en iemand die kan zien, samen in het donker zijn, verschillen ze niet van elkaar. Maar als het licht wordt, zal de ziende het licht zien en de blinde in het donker blijven.” (55b)
“Geestelijke liefde is als wijn en geur. Allen die ervan genieten, worden ermee gezalfd. En ook genieten zij die in de buurt zijn, zolang de gezalfden in hun omgeving vertoeven.” (79)
“Als je mens wordt, zal de mens je liefhebben; als je geest wordt, zal de geest zich met je verenigen; als je verstandig wordt, zal het verstand zich met je vermengen, als je licht wordt, zal het licht zich met je verenigen; als je wordt als die-boven-zijn, zullen zijn die-boven-zijn in je rusten.” (111)
“Zij die gescheiden zijn, zullen worden verenigd en vol gemaakt. Allen die het bruidsvertrek betreden, zullen zich met het licht verenigen. Ze verenigen zich echter niet op de wijze als in het zichtbare huwelijk dat ’s nachts plaatsvindt. Dat vuur brandt alleen ’s nachts en dooft uit. De mysteriën van het heilige huwelijk voltrekken zich daarentegen overdag en in het licht. Die dag en zijn licht gaan nimmer ten einde.” (113)
“Als de vrouw zich niet van de man afgescheiden had, zou ze niet met de man sterven. Met deze scheiding begon de dood. Christus is gekomen om de scheiding, die in het begin is ontstaan, weer ongedaan te maken, de twee weer te verenigen en leven te geven aan hen die in de scheiding gestorven zijn, en hen weer te verenigen. Want vrouw en man verenigen zich met elkaar in het bruidsvertrek. En zij die zich in het bruidsvertrek hebben verenigd, zullen niet meer van elkaar worden gescheiden.“ (78)
Uitspraken uit het Evangelie van Thomas (…,3e,4e,5e eeuw)
“Zoek en je zult vinden: maar wat jullie mij in deze dagen hebben gevraagd, en wat ik jullie toen niet heb gezegd verlang ik nu te vertellen, maar jullie vragen er niet naar.” (92)
Vgl. Matteüs 7: 7.8: “Zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want een ieder die vraagt ontvangt, en voor wie klopt zal worden opengedaan.”
“Jezus zag kleine kinderen die gezoogd werden.
Hij zei tot zijn leerlingen: “Deze kinderen, die gezoogd worden, lijken op hen, die het Koninkrijk binnengaan.”
Zij zeiden tot Hem: “Zullen wij dan, als wij kinderen zijn, het Koninkrijk binnengaan?”
Jezus zei tot hen: “Als jullie uit twee één maakt, en als jullie het innerlijk maakt als het uiterlijk, en het uiterlijk als het innerlijk, en het boven als het beneden, en als jullie het mannelijke en vrouwelijke tot één maakt, zodat het mannelijke niet mannelijk zal zijn en het vrouwelijke niet vrouwelijk, als jullie ogen maakt in plaats van een oog en een hand in plaats van een hand en een voet in plaats van een voet en een beeld in plaats van een beeld; dan zullen jullie binnengaan in het Koninkrijk.” (22)
Vgl. Matteüs 19: 13-15: “Daarop brachten de mensen kinderen bij hem, ze wilden dat hij hun de handen zou opleggen en zou bidden. Toen de leerlingen hen berispten, 14 zei Jezus: ‘Laat de kinderen ongemoeid, belet ze niet bij mij te komen, want het koninkrijk van de hemel behoort toe aan wie is zoals zij.’ 15 En nadat hij hun de handen had opgelegd, trok hij weer verder.”
“De mens is gelijk een wijze visser die zijn net in de zee werpt. Hij trok het uit de zee, vol kleine vissen. De wijze visser vond daartussen een grote, goede vis. Hij gooide alle kleine vissen in zee en zonder enige aarzeling koos hij de grote vis. Wie oren heeft om te horen laat hem horen!” (8)
Vgl. Matteüs 13: 47-48: “Daarop Het is met het koninkrijk van de hemel ook als met een sleepnet dat in een meer werd geworpen en waarmee allerlei soorten vis werden gevangen. 48 Toen het net vol was, trok men het op de oever en ging men zitten om de goede vis in kuipen te doen; de slechte vis werd weggegooid.
“Het koninkrijk is gelijk aan een herder die honderd schapen had. Een van hen verdwaalde die de grootste was. Hij liet de negenennegentig achter, hij zocht naar de ene totdat hij die vond. Nadat hij zich alle moeite gegeven had, zei hij tegen het schaap: “Ik heb je meer lief dan de negenennegentig.”” (107)
Vgl. Lucas 15: 4vv.: ‘Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft? 5 En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders 6 en gaat hij naar huis. Daar roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: “Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap gevonden dat verdwaald was.” 7 Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben.
“Jezus zei tegen zijn leerlingen: Vergelijk mij eens en zeg mij op wie ik lijk.
Simon Petrus zei tegen Hem: “U bent als een rechtvaardige engel. - Matteüs zei tegen hem: U bent als een wijze filosoof. - Thomas zei tegen Hem: “Meester, mijn mond zal mij volstrekt niet toelaten te zeggen op wie u lijkt. - Jezus zei: “Jouw meester ben ik niet, omdat jij gedronken hebt; jij ben bedwelmd door de sprankelende bron van levend water, die ik opgedolven heb. - En Hij nam hem apart en trok zich terug en sprak drie woorden tegen hem. Toen Thomas echter weer bij zijn metgezellen terugkwam vroegen zij: “Wat heeft Jezus tegen je gezegd?” Thomas zei tot hen: “Als ik één van de woorden zeg die hij tegen mij sprak, zullen jullie stenen nemen en naar mij werpen; en vuur zal uit die stenen komen en jullie verbranden.” (13)
Vgl. Matteüs 16: 13-16: “Toen Jezus in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg hij zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?’ 14 Ze antwoordden: ‘Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de andere profeten.’ 15 Toen vroeg hij hun: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ 16 ‘U bent de messias, de Zoon van de levende God,’ antwoordde Simon Petrus.”
“Wie dicht bij Mij is, is dicht bij het vuur: en wie ver van mij is, is ver van het Koninkrijk.” (82)
“Zij toonden Jezus een goudstuk en zeiden tegen Hem: Caesars mannen eisen belasting van ons. Hij zei tegen hen: Geef Caesar wat van Caesar is, geef God wat van God is en geef mij wat het mijne is.” (100)
Vgl. Matteüs 22: 16-21: “Ze stuurden enkele van hun leerlingen samen met een aantal Herodianen naar hem toe, met de vraag: ‘Meester, wij weten dat u oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. We weten dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen, u kijkt immers niemand naar de ogen. 17 Zeg ons daarom wat u vindt: is het toegestaan de keizer belasting te betalen of niet?’ 18 Maar Jezus had hun boze opzet door en zei: ‘Waarom stelt u me op de proef, huichelaars? 19 Laat me de belastingmunt zien.’ Ze reikten hem een denarie aan. 20 Hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’ 21 Ze antwoordden: ‘Van de keizer.’ Daarop zei hij tegen hen: ‘Geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’
“Zijn leerlingen zeiden tegen Hem: “Wanneer zal het Koninkrijk komen” – [Jezus zei:] Het komt niet door het te verwachten; zij zullen niet zeggen: Zie hier, of: Zie daar. Maar het Koninkrijk van de Vader is uitgespreid over de aarde en de mensen zien het niet.” (113)
Vgl. Marcus 13: 4.5.32: “Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we herkennen dat het zover is?’ 5 Jezus antwoordde: ‘Pas op dat niemand jullie misleidt… 32 Niemand weet wanneer die dag of dat moment zal aanbreken, de engelen in de hemel niet en de Zoon niet, alleen de Vader.”
Uit het boek der Egyptenaren, fragment 1.2.7 (150 n.Chr.; Alexandrië)
“Toen Jezus een zinspeling op het wereldeinde gemaakt had en Salome (de vrouw van Zebedeüs en moeder van Johannes en Jacobus) Hem vroeg: “Hoe lang zal de dood macht hebben?” antwoordde de Here (niet alsof het leven iets slechts en de schepping boos zou zijn): “Zolang jullie, vrouwen, kinderen baren… Ik ben gekomen om de werken van de vrouw te beëindigen, dat wil zeggen: die van de begeerte, en de werken zijn geboorte en dood.”
“”U zult zijn als schapen temidden der wolven.” Petrus zei: “En als de wolven de schapen verscheuren?” Jezus antwoordde: “ Wanneer de schapen dood zijn, behoeven ze de wolven niet te vrezen; ook u zult die niet vrezen, die u wel kunnen doden, maar u verder niets kunnen doen. Vreest Hem echter, die na uw dood de macht over uw lichaam en ziel heeft, om u in de vurige hel te werpen!”
Uit het Evangelie der Ebionieten, spreuk 6 (1e helft 2e eeuw n.Chr.; Syrië?)
“Waar wilt U dat wij voorbereidingen treffen voor U om het Pascha te eten?” En Hij antwoordde: “Ik heb helemaal niet begeerd dit Paschavlees met u te eten.”
Uit het Evangelie der Nazareners, hfst. 15 (1e helft 2e eeuw n.Chr.; Syrië)
“De Heiland bleef … staan met zijn discipelen en zei: “Gij…, die u zich hier in de tempel ophoudt, zijt gij rein?” De ander sprak: “Ik ben rein, want ik heb mij in de vijver van David gebaad en ik ben langs de ene trap naar beneden, en langs de andere naar boven gegaan en ik heb witte klederen aangetrokken, en daarna pas heb ik deze heilige voorwerpen aanschouwd.” En Christus gaf hem te antwoord: “Wee, gij, blinden, die niet ziet! Gij hebt u in dit stromende water gebaad, waarin overdag en ’s nachts honden en zwijnen zich ophouden en gij hebt u gewassen en de opperhuid afgewreven, die ook horen en fluitspeelsters zalven en baden en afwrijven, om het publiek begeerlijk te maken; inwendig echter zijn ze vol schorpioenen en slechtheid. Ik echter en Mijn leerjongeren, die u ongewassen noemt, wij zijn gewassen in de wateren van het eeuwige leven, die van boven komen.”
Uit de Boeken van Jeu, hfst 43
“Jezus zei: “Deze mysteriën die Ik u zal geven, bewaar ze en geef ze aan niemand tenzij hij ze waardig is. Geef ze niet aan vader of aan moeder, of aan broer of zus of aan familielid, niet voor voedsel of drinken, niet voor het vrouwelijk geslacht, niet voor goed en voor zilver, of voor wat ook ter wereld. Bewaar ze en geef ze aan niemand om bestwil van deze hele wereld.””
Uit het Evangelie van Petrus (ca. 200 n.Chr.; Antiochië)
“En zij kwamen met twee boosdoeners aan en kruisigden de Here midden tussen hen in. Hij echter zweeg, alsof Hij geen smart kende. En toen zij het kruis hadden opgericht, schreven ze daarop: “Dit is de koning van Israël.” En zij legden Zijn kleren voor Hem neer, wierpen het lot daarover en verdeelden ze onder elkaar. En een van de misdadigers schold hen uit en sprak: “Wij zijn door slechte daden, die wij bedreven hebben, in dit lijden terecht gekomen, maar wat heeft Hij, die de Heiland der mensen geworden is, u voor onrecht gedaan?” En zij werden toornig om Hem en bevalen dat Hem de beenderen niet gebroken zouden worden, opdat Hij onder kwellingen zou sterven.” (4.10vv.)
“En het was middag en duisternis bedekte heel Judea. En zij wonden zich op en geraakten in paniek over de vraag of de zon reeds ondergegaan was, daar Hij nog in leven was. Want er staat bij hen geschreven dat de zon niet over een gedode onder mag gaan… Velen echter gingen met lampen rond en daar zij meenden dat het nacht was, gingen ze ter ruste.
En de Here schreeuwde luid en riep: “Mijn kracht, Mijn kracht, gij hebt Mij verlaten!” (in de plaats van het bekende ‘Eli, Eli’ staat hier in de oertekst ‘heli, heli’, GN). En na dit te hebben gezegd, werd Hij opgenomen. En op hetzelfde moment scheurde het voorhangsel van de tempel te Jeruzalem in tweeën.” (5.15vv)
“En toen trokken zij de nagels uit de handen van de Here en legden Hem op de grond. En de gehele aarde beefde en er ontstond grote vrees. Toen begon de zon weer te schijnen en het bleek de negende ure te zijn.” (6.21.22)
Uit het Evangelie der Hebreeën, vers 13 (1e helft 2e eeuw n.Chr.; Egypte)
“De bovendorpel van de tempel, die van een enorme grootte was, is gebroken en ingevallen.”
Uit het Evangelie van Nicodemus (Handelingen van Pilatus), hfst 5-7
(2e-4e eeuw n.Chr.)
“Weer klonk de stem: “Heft op de poorten.” Toen Hades (= de wachter van de onderwereld) de stem voor de tweede keer hoorde, antwoordde hij alsof hij van niets wist: “Wie is de Koning der ere?” De engelen van de Heer zeiden: “De Heer, sterk en machtig, de Heer machtig in de strijd.” En onmiddellijk na dit antwoord werden de koperen poorten in stukken gebroken en alle doden die gebonden waren, werden van hun ketens bevrijd en wij met hen. En de Koning der ere kwam binnen als een man. Alle duistere plaatsen in het Rijk van de doden werden verlicht…
Toen greep de Koning der ere de opperheerser Satan bij zijn hoofd en leverde hem uit aan de engelen met de woorden: “bind zijn handen en voeten, nek en mond met ijzers.” Toen gaf Hij hem aan Hades en zei: “Neem hem en bewaar hem tot de wederkomst.” En Hades pakte Satan en zei tegen hem...: “Keer om en zie dat er geen enkele dode in mij is achtergebleven maar dat alles wat je gewonnen had door de boom van kennis, nu weer door het kruis hebt verloren.”
Uit het Evangelie van Petrus, vers 8.31-42 (150 n.Chr.; Syrië)
“En Pilatus stelde hun de centurio Petronius ter beschikking om het graf te bewaken. En met hen gingen oudsten en schriftgeleerden naar het graf. En ze rolden met behulp van de centurio en zijn soldaten een grote steen voort en legden die voor de ingang van het graf. Daarop brachten ze zeven zegels aan, zetten een tent op en hielden de wacht…
Maar in de nacht waarin de dag des Heren aanbrak, toen de soldaten … de wacht hielden, klonk er een luide stem uit de hemel en ze zagen dat de hemelen geopend waren en dat twee mannen in een grote lichtglans vandaar neerdaalden. De steen die voor de ingang was gelegd, begon van zelf van zijn plaats te rollen en het graf werd geopend en de beide jongemannen gingen naar binnen. Toen de soldaten dat zagen maakten ze de centurio en de oudsten wakker, want ook zij waren bij de wacht aanwezig. En terwijl ze nog aan het vertellen waren wat ze hadden gezien, zagen ze drie mannen weer uit het graf komen. Twee van hen ondersteunden de derde en een kruis volgende hen. En het hoofd van de twee kwam tot aan de hemel maar dat van Hem die ze bij de hand leidden stak boven de hemelen uit. En ze hoorden een stem uit de hemelen zeggen: “Hebt Gij de ontslapenen gepredikt?” en van het kruis werd het antwoord gehoord: “Ja”.
Uit het Evangelie der Hebreeën, vers 14 (1e helft 2e eeuw n.Chr.; Egypte)
“Toen de Here zijn linnen kleed aan een dienaar van de priester gegeven had, ging Hij naar Jacobus en verscheen hem. Want Jacobus had gezworen dat hij geen brood zou eten vanaf het uur, waarop hij de kelk des Heren gedronken had, totdat hij Hem zou zien opstaan uit hen, die ontsliepen. En de Here zei: “Brengt een tafel en brood.” En Hij na het brood, zegende het, brak het en gaf het aan Jacobus, de rechtvaardige, en zei tegen hem: “Mijn broeder, eet uw brood, omdat de Zoon des mensen is opgestaan uit de ontslapenen.”
Uit de Handelingen van Petrus, hfst 9 (laat 2e eeuw; Rome)
“Petrus die een grote hond zag vastgebonden … met een enorme ketting, ging naar hem toe en liet hem los. En toen de hond los was, kreeg hij een menselijke stem die zei tegen Petrus: “Wat gelust u mij te doen, u dienaar van de onuitsprekelijke levende God?” En Petrus zei: “Ga naar binnen en vertel Simon in aanwezigheid van zijn metgezellen: “Petrus zegt tot u, Kom in de openbaarheid, want voor u ben ik naar Rome gekomen, u slechte man en verstoorder van eenvoudige zielen.” En onmiddellijk stormde de hond midden in het gezelschap van Simon en … riep met een luide stem: “ Ik zeg u Simon, Petrus de dienaar van Christus stat bij de deur en zegt tot u: “Kom in de openbaarheid” … Maar Simon zei tegen de hond: “Zeg Petrus dat ik niet thuis ben.” En de hond antwoordde hem in aanwezigheid van Marcellus: “U zeer slechte en schaamteloze man, u vijand van al wat leeft en in Christus Jezus gelooft…”
Geraadpleegde bronnen:
De Nag Hammadi Geschriften, Jacob Slavenburg, Willem Glaudemans e.d., Ankh-Hermes 2004
Enige Nieuwtestamentische Apokriefe geschriften (3 dln.),
vertaald door R. ten Kate en C.A. Tukker, De Banier 1984, 1994, 1998
Roy Porter, De verloren bijbel. Verdwenen geschriften opnieuw ontdekt, Ten Have – Lannoo 2002
ds. G. Naber – Sliedrecht, november 2005
Laatst aangepast (zondag, 04 oktober 2009 21:37)





