Het evangelie volgens Thomas de getuigenis van

 Een universeel religieus bewustzijn.

 Voorgesteld door Piet Mestdagh.

De ontdekking van dit evangelie heeft voor een zekere beroering gezorgd binnen de christelijke wereld. De meest prangende vraag die deze getuigenis oproept betreft immers de inhoud zelf van de prediking van Jezus en haar integratie in de bijbelse geschiedenis.

 

  de discipelen zeiden hem

wie ben je die ons dit zegt

    door dit dat ik jullie zeg weten jullie niet wie ik ben...

 

wanneer jullie jezelf zullen erkennen

dan zullen jullie erkend zijn

en jullie zullen weten dat jullie zijn

de kinderen van de vader de levende...

 

dit waar jullie naar uitzien is gekomen

maar jullie erkennen dit niet...

beelden manifesteren zich aan de mens

en het licht binnenin het beeld is verborgen

in het beeld van het licht van de vader zal het zich onthullen

en zijn beeld is verborgen door zijn licht...


Het universele religieuze bewustzijn

Het evangelie volgens Thomas biedt ons nu de gelegenheid de twintig eeuwen oude boodschap van Jezus te benaderen vanuit de vrijheid van een universeel religieus bewustzijn.

In dit bewustzijn worden de begrenzingen overstegen, die godsdiensten aan zichzelf en hun gelovigen hebben opgelegd.

Religie komt van het latijnse woord religare, dat verbinden betekent.

In religie gaat het dus om een verbondenheid. In een traditionele optiek zou de betekenis ervan kunnen zijn :

De verbondenheid van mensen die eenzelfde geloof in goden of in een unieke God belijden.

Vanuit een universeel religieus bewustzijn definiëren we religie als :

de individuele verbondenheid van iedere mens met een absolute zijnswaarde.

De werkelijkheid waarin we leven noemen we relatief, omdat alles met alles verbonden is, alles voortdurend in evolutie ook, afhankelijk van begrippen als tijd, ruimte, energie, materie.

Het religieuze bewustzijn houdt het inzicht in dat er aan de oorsprong van die werkelijkheid een oorzaak is, een “Zijn”, dat niet afhankelijk is van die relatieve begrippen.

Die oorzaak, gesymboliseerd in het woord God, noemen we daarom absoluut.

Dit houdt in dat de mens, vanuit zijn relatieve denkwereld, het absolute niet kan bevatten, niet kan kennen.

Ook in de joodse Bijbel wordt Jaweh, de God van de joden, de Onkenbare genoemd.

Omdat het onbekende steeds een bron van angst betekent, heeft de mens sinds mensengeheugenis gepoogd zich een kennis van het Onkenbare toe te eigenen.

Hiervoor deed hij beroep op zijn verbeelding : het Onkenbare werd “ingebeeld”. Van die inbeelding werd de oorsprong toegeschreven aan een directe “goddelijke” revelatie of openbaring.

Aan het beeld werden verwachtingen verbonden, geboden, verboden en rituelen. Zo zijn godsdiensten ontstaan.

Het is evenwel de innerlijke tragiek van godsdiensten dat zij,
in hun streven naar een
toenadering
tot God,
naar een godskennis, die absolute zijnswaarde voor de hier en nu levende mens zo goed als
ontoegankelijk hebben gemaakt.

Dit evangelie wordt gnostisch genoemd. Gnosis is het Griekse woord voor kennis.

Een correcte definitie verzinnen voor wat onder gnostisch kan worden begrepen is geen eenvoudige opgave !

Het gnostische karakter van de meeste in Nag Hammadi ontdekte geschriften is overigens erg verschillend van dit in het evangelie volgens Thomas.

We stellen daarom volgende definitie van gnosis voor : gnosis is niet de onmogelijke kennis van God maar een ervaringskennis, die berust in het bewustzijn in dit leven met een absolute zijnswaarde verbonden te zijn.

Dit bewustzijn is universeel want toegankelijk voor iedere mens, waar of wanneer ook ter wereld.

Gezien elke kennis echter afhankelijk is van de toestand van het individuele bewustzijn, kan gnosis nooit als een waarheid aan een ander worden voorgehouden.

Ware gnosis is een dienende en dus bevrijdende kennis. Dit is het gemeenschappelijke merkteken in getuigenissen als die van Krishna in de Bhagavad Gita, van Boeddha en ook van Jezus in dit evangelie.

Gnosis is dus de vrucht van een religieus bewustzijn en houdt het inzicht in dat de mens een aan tijd en materie gebonden uitdrukking is van een tijdloos “Zijn”, waarin de oorzaak berust van alle mogelijkheden die hij in zichzelf ervaart.

De mogelijkheid te denken, te voelen, zintuiglijk waar te nemen en autonoom te handelen ontvangen we voortdurend uit “iets” dat, zoals een bron, blijvend gevend is.

Het bewustzijn met “dit” verbonden te zijn behoeft echter geen kennis van de bron zelf.

De erkentelijkheid voor een geschenk is niet afhankelijk van een kennis van de schenker...!

Hoewel het absolute “in se” niet kenbaar is, toch is dit, dat door het absolute wordt uitgedrukt, wel kenbaar.

Die kennis van het relatieve, van de “wereld der verschijnselen”, noemen we wetenschap.

Elke juiste kennis, in welk levensgebied ook, kan of mag niet onverenigbaar zijn met een andere juiste kennis.

Een correcte kennis van mens en natuur kan dus niet onverzoenbaar zijn met een juist religieus inzicht.

Wel moeten we ons voortdurend bewust zijn van de begrenzing van ieder menselijk weten...

De uitdrukking van het niet-manifeste Zijn in een manifeste werkelijkheid heeft haar wet...

De kernfysica leert ons inderdaad dat, vanuit een leegte, ook fysisch vacuüm genoemd, zich op ieder ogenblik energetische vibraties manifesteren die materie scheppend zijn.

Zo ontstaan eerst elementaire deeltjes, die harmoniëren tot atomen, die zelf onderling harmoniëren en moleculen vormen.

Die moleculen harmoniëren op hun beurt tot de opbouw van steeds grotere eenheden, van celletjes tenslotte.

Zo ontwikkelt zich het leven, vanuit een leegte, in een voortdurend samenspel van energie en materie, van opbouw en afbraak.

De unieke wet aan de basis van dit creatieve gebeuren is harmonie.

Leegte is waardeloos, want afwezigheid van iets.

Een leegte waarin het gehele levenspotentieel besloten ligt is een wonder dat ons begripsvermogen overstijgt...

Met die leegte is nochtans iedere mens verbonden, want in haar heeft ieder atoom van zijn lichaam zijn bedding.

Dit betekent ook dat ieder atoom of celletje spontaan luistert naar een wet van harmonie...

In het bewustzijn van een integratie in een absolute wet, waaraan we ons bestaan te danken hebben, ligt tevens de revelatie van onze finaliteit als mens : wat we door een creatieve harmonie ontvangen, hebben we, zoals de ganse natuur, in harmonie uit te drukken.

Harmonie in denken is intelligentie, het vermogen kennis te verwerven. Harmonie in voelen is liefde, het vermogen goed te zijn.

Kennis is slechts zinvol indien zij dient, liefde slechts zinvol indien zij gegeven wordt... Beide samen zijn noodzakelijk om juist te handelen. In een rust, de stilte van de leegte binnenin zichzelf, kan iedere mens een inspiratie ontvangen om beide, onderscheidingsvermogen en liefde, harmonisch te beleven en uit te drukken.

Die ervaring reveleert hem een absolute zijnswaarde waar ieder individueel leven mee verbonden is.

Ooit is het echter misgelopen, omdat de mens zijn integratie in een absolute wet heeft miskend.

In het bijbelse verhaal van de zondeval heeft Adam - de mens - verleid door zijn eigen weten - de slang - de vrucht van de boom van kennis - het gezag dat enkel aan “de Schepper” toebehoorde - aan zichzelf toegekend.

Gezag is de harmonische vrucht van kennis. Van gezag heeft hij macht gemaakt.

Hierdoor heeft hij zijn verbondenheid met de wet van harmonie verbroken.

Dit was en is nog steeds zijn zonde van hoogmoed : wat één was en één hoorde te blijven heeft de mens gescheiden.

Voor de verstoringen, die hiervan het gevolg zijn, is alleen hij verantwoordelijk. Zijn opdracht is het nu de eenheid, die was in het begin, opnieuw te herstellen.

Het dualisme, waarin we nu de uitdrukking van het leven ervaren, vindt zijn oorsprong in een verstoring van het individuele bewustzijn.

Zo ervaren we goed en kwaad, harmonie en disharmonie, licht en duisternis. Maar licht heeft een bron, duisternis niet...

Duisternis is slechts afwezigheid van licht, zoals disharmonie afwezigheid is van harmonie en onwetendheid afwezigheid is van kennis...

De oorzaak van het niet “zien”, het niet ervaren, het niet bewust zijn, ligt uitsluitend bij de mens zelf.

Strijden tegen de afwezigheid van iets, van het goede, het harmonische, is zinloos...

Wie licht brengt verdrijft spontaan de duisternis.

In het bewustzijn met een absolute zijnswaarde verbonden te zijn, de bron van de mogelijkheden die we in onszelf ervaren in haar wet te erkennen, ligt tevens onze verantwoordelijkheid voor een positieve evolutie in dit leven.

Wat verbonden is, is één.

De kerngedachte in het evangelie volgens Thomas is eenheid.

Omdat onze verbondenheid met een absolute zijnswaarde van een spirituele orde is - zij is slechts te ervaren doorheen een inspiratie die ontvangen wordt - is zij ook zo moeilijk in woorden uit te drukken.

Om van die verbondenheid te getuigen deed Jezus daarom beroep op beelden. Maar een beeld is slechts een middel om een werkelijkheid te benaderen.

Nooit kan het middel verward worden met het doel, kan het beeld verward worden met de werkelijkheid zelf.

Het beeld van de zoon-vader relatie, waarin Jezus zijn innerlijke verbondenheid visualiseerde, werd echter niet als een beeld erkend maar voor werkelijk aanzien...

Hij beschouwde zich dus als een zoon van God, zo werd het beeld begrepen...

Die verwarring bekocht hij met een kruisiging.

Het zal daarom voor iedere toehoorder van dit evangelie een uitdaging zijn de in het beeld verborgen kennis juist te interpreteren en tot de essentie van het begrip eenheid door te dringen.


Het evangelie volgens Thomas.

 

 

dit zijn de verborgen woorden

die jezus de levende gesproken heeft

en die didymos judas thomas heeft neergeschreven

 

 

De aanhef van dit evangelie maakt meteen de auteur ervan bekend : didymos judas thomas.

De eerste naam is Didymos en betekent “tweeling” in het Grieks.

Judas was toen een veel voorkomende naam.

Thomas betekent tweeling in het aramees.

Naar wat die dubbele bijnaam verwijst kan niet met zekerheid worden bepaald. Misschien had Judas gewoon een tweelingbroer of –zus. Misschien verwijst die bijnaam wel naar de spirituele verbondenheid waarin hij met Jezus verenigd was.

Elke volmaakte discipel zal zijn als zijn meester” is een uitspraak van Jezus in het Lucasevangelie (Lc 6, 40). Thomas is ons vooral bekend uit het Johannesevangelie, vanwaar hij de dubieuze reputatie van “ongelovige” te danken heeft.

De bijnaam Didymos wordt hem ook in Joh. 11, 16 en 21, 2 toegekend. In Joh. 14, 22 wordt hij gewoon Judas genoemd. De naam Judas Thomas komt eveneens voor in diverse varianten van het Johannesevangelie. (*)

De betekenis van verborgen woorden is voor interpretatie vatbaar. Omdat het een kennis van een hogere orde betreft, die niet rechtstreeks communiceerbaar is, verkondigt Jezus zijn inzichten heel vaak bij middel van een beeldspraak.

Zijn kennis ligt verborgen in het beeld. Aan ieder om de betekenis ervan te ontsluieren. Dit is de meest voor de hand liggende interpretatie van verborgen woorden.

In de eerste eeuwen van het christendom waren echter een groot aantal geschriften in omloop, waarvan de inhoud afweek van de leer van de jonge Kerk.

Die getuigenissen, die niet zijn opgenomen in het Nieuwe Testament, werden “apocrief” genoemd, naar het Griekse woord apocruphos, dat hier gebruikt wordt en verborgen of geheim betekent.

Een vertaling als “geheime woorden” vinden we minder passend, omdat hierdoor de indruk kan worden gewekt dat de verkondigde boodschap een soort esoterische kennis zou bevatten, enkel toegankelijk voor een ingewijde.

De boodschap van Jezus getuigt van een universele kennis, waar iedere mens toegang kan toe hebben, op voorwaarde evenwel er zich voor open te stellen. Jezus wordt hier de levende genoemd.

De betekenis van de woorden leven en dood heeft in dit evangelie een ander draagvlak dan wat onder natuurlijk of biologisch leven en dood wordt begrepen.

Het bewustzijn van een verbondenheid tussen het lagere, het biologische, en het hogere, het spirituele, geeft aan dit leven een absolute dimensie. Wie tot dit bewustzijn is doorgegroeid is levend geworden. Hiervan is Jezus de levende getuige.

 

(*) Over de identiteit van Judas Thomas kan enkel worden gespeculeerd.

De naam Judas doet onvermijdelijk terugdenken aan de “verrader”.

In het verhaal van de aankondiging door Jezus van zijn verraad, een gebeuren waarvan in de evangelische context de zin of de noodzaak overigens totaal onduidelijk is, worden voor “verraden” twee verschillende Griekse werkwoorden gebruikt : paradidomai en prodidomai. Het eerste betekent : doorgeven, overleveren, zoals een kennis doorgeven.

Het tweede heeft de connotatie iets bekend te maken dat niet hoort bekend gemaakt te worden, verraden dus. Gezien de verbazende reactie van de apostelen bij het bekend maken door Jezus dat iemand hem zou “verraden” - “zou ik het zijn?” (Mt 26,22 - Mc 14,19) - is het niet ondenkbeeldig te veronderstellen dat Jezus het had over iemand die de opdracht kreeg zijn boodschap over te leveren.

Dit zou ook zijn aansporing tot spoed kunnen rechtvaardigen. De Judas in kwestie zou dan helemaal geen verrader zijn geweest maar de uitvoerder van een opdracht. Indien het om Judas Thomas ging zou dit een erkenning van zijn evangelie inhouden. Wat voor anderen, o.m. de aanhangers van Johannes, niet te aanvaarden was. Zo werd het scenario van een verraad bedacht...

De apostel Thomas als een verrader beschouwen was echter uitgesloten. Een andere Judas, de iskariot, werd zo het slachtoffer van een obscure manipulatie. Vermoedelijk zou die naam zijn afgeleid van sica, een soort dolk die hoorde bij de sicariotes, een naam die verbasterde tot iscariot en verwees naar een geweldadige groep binnen de zeloten.

Door hem als verrader te brandmerken zou men Jezus tevens afstand hebben laten nemen van die sekte. Het recent ontdekte evangelie van Judas bevestigt dat de mening aanwezig was dat die Judas zich niets te verwijten had en zelfs een trouwe vriend van Jezus zou zijn geweest...

Anderzijds weten we uit de evangeliën dat een Judas, zoals Jacobus, een broeder van Jezus was. De polemiek rond die broederschap is overigens een bekend gegeven. Gezien het aantal Judassen waar we mogelijks mee te maken hebben, blijft het dus gissen naar wie in dit verhaal wie zou kunnen zijn...

 

 

1

en hij heeft gezegd

wie de interpretatie van deze woorden vindt zal de dood niet smaken

                                                                                                                             

Joh 8, 51-52: “Voorwaar ik zeg jullie: indien iemand mijn woord in zich bewaart...

nooit zal hij de dood smaken.”

 

 

De uitdaging waar we voor geplaatst worden is het ontsluieren van de kennis die in de woorden van Jezus verborgen ligt. De kwaliteit van een interpretatie is rechtstreeks afhankelijk van de toestand van het bewustzijn : hoe zuiverder het bewustzijn is, des te juister het inzicht zal zijn.

Dit houdt in dat een interpretatie steeds persoonlijk zal zijn en evoluerend naargelang de evolutie van het eigen bewustzijn. Daarom ook zal de toegang tot de volledige toedracht van zijn kennis tijd en bezinning vergen.

De uitdrukking zal de dood niet smaken lijkt vreemd maar is niet alleen bij Johannes terug te vinden. Noteer terloops het subtiele onderscheid tussen : de interpretatie vinden en het woord bewaren...

Wie de juiste betekenis van zijn verborgen woorden zal ont-dekken en zijn kennis in zich zal opnemen, zal leven. Dood is afwezigheid van leven, zoals duisternis afwezigheid is van licht, onwetendheid afwezigheid is van kennis.

De ervaringskennis, die toen gnosis genoemd werd (zie introductie), wordt in gnostische middens rechtstreeks geassocieerd met leven. Toegang hebben tot de gnosis is de voorwaarde om ook toegang te hebben tot het ware leven.

De fysische dood mag dan wel blijven bestaan als het eindpunt van een biologisch ik, toch zal hij de mens, die is “thuis gekomen” in zijn absolute innerlijke bron, niet deren.

 

 

2

jezus heeft gezegd

dat hij die zoekt niet ophoudt te zoeken tot hij vindt

en wanneer hij gevonden heeft zal hij in verwarring zijn

en indien hij in verwarring is zal hij in verwondering zijn

en hij zal koning zijn over het al

 

vergelijk: Mt 7, 7-8 - Lc 11, 9-10

 

 

Wie tot een juiste interpretatie wil komen, de kennis van zijn woord in zich wil opnemen, moet zelf een zoekende weg gaan. Dit is een persoonlijke opdracht, waarbij in oprechtheid eigen waarden en inzichten worden in vraag gesteld, het belang van het eigen ik en zijn overtuigingen wordt gerelativeerd in het licht van een nieuwe kennis.

Die weg leidt tot een inzicht en een ervaring die aanvankelijk verstorend zijn, want de hoeksteen van religieuze “zekerheden” ondergravend. Wie het nieuwe in zich tracht op te nemen komt, zoals Jezus toen, in conflict met het oude.

Verwarring dus. Maar wie het oude kan loslaten en het conflictuele in alle eerlijkheid kan oplossen, ervaart tenslotte een bevrijdende verwondering, die berust in het bewustzijn dienend deel te hebben in het koningschap van de Vader.

Zoals verder nog zal blijken (zie logion 81), verwijst voor Jezus de titel van koning vooral naar verantwoordelijkheid en gezag en niet, zoals later het geval zou zijn, naar heerschappij en macht. Daarom vinden we de vertaling van de laatste lijn door : en hij zal heersen over het al, niet passend.

 

 

3

jezus heeft gezegd

indien zij door wie jullie worden aangetrokken zeggen

zie het koninkrijk is in de hemel

dan zullen de vogels van de hemel jullie vóór zijn

indien zij zeggen het is in de zee

dan zullen de vissen jullie vóór zijn

maar het koninkrijk is binnenin jullie en het is buiten jullie

wanneer jullie jezelf zullen erkennen

dan zullen jullie erkend zijn

en jullie zullen weten dat jullie zijn

de kinderen van de vader de levende

indien daarentegen jullie jezelf niet erkennen

dan verblijven jullie in een armoede

en jullie zijn de armoede

 

Lc 17, 21: “De komst van het koninkrijk van God zal men niet waarnemen, noch zullen zij zeggen: zie het is hier of daar is het want zie, het koninkrijk van God is binnenin u.” In het Grieks staat hier namelijk : entos ùmôn estin.

 

 

Hier begint de confrontatie met het nieuwe ! Zich afhankelijk maken van een kennis van anderen is niet zinvol.

De weg die we te gaan hebben is vóór alles die van de zelfkennis. Die kennis is niet zozeer een antwoord op de vraag : wat is mijn eigenheid, hoe functioneer ik mentaal of emotioneel, waarin onderscheid ik mij van anderen ?

De vraag is veeleer: wie ben ik, mens in deze wereld, wat is mijn opdracht, wat mijn finaliteit ? Wat is de zin van het biologische wonder dat “mens” heet ?

Niet zonder een zekere ironie maakt Jezus hier zijn inzicht bekend omtrent de werkelijkheid die verwoord werd in “het koningrijk van God”.

De komst van het koninkrijk, als het herstel van een goddelijke orde op aarde, is een oude joodse droom. Voor de jood Paulus was de verwachting van die nakende gebeurtenis zo intens, dat hij de mannen van Korinthië de raad meegaf af te zien van verdere geslachtsgemeenschap met hun vrouw.

Dit zou hen op de nabije “dag des oordeels” zeker ten goede worden aangerekend ! (1Kor 7, 29) Die droom werd, mits een grondige aanpassing - nu zou het koninkrijk tot het hiernamaals behoren - en ondanks de logenstraffing van Jezus in Lc 17, 21, door de christelijke Kerk overgenomen. Blijkbaar is het gezag van Paulus meer overtuigend geweest dan dit van Jezus...

De innerlijke beleving van het koninkrijk - het is binnenin jullie - en de uiterlijke ervaring ervan - en het is buiten jullie - bevestigen dat dit koninkrijk te maken heeft met een reële ervaring hier en nu, in dit leven.

Zoals de ganse natuur, luistert ook ieder celletje van ons eigen lichaam naar Zijn wet. Zich bewust worden van die verbondenheid impliceert de erkenning van een levensbron binnenin zichzelf. Wie dit zal erkennen zal ook erkend zijn.

De bron in zichzelf erkennen, houdt dus een respons in van de bron zelf : door haar zullen we erkend worden en het licht ontvangen dat de duisternis van onwetendheid kan wegnemen. Indien we dit niet erkennen verblijven we in een armoede.

Dit is de toestand waarin Jezus zijn medemensen heeft aangetroffen, een toestand die nog steeds de onze is... (zie logion 28)


Om het intieme karakter van zijn verbondenheid met een absolute levensbron voor zijn medemensen duidelijk te maken, doet Jezus beroep op het beeld van een vader. (zie logion 15) Die verbondenheid is echter niet uitsluitend voor hemzelf voorbehouden !

Allen zijn we, in eenzelfde spirituele verbondenheid, kinderen van de vader, de levende. Terloops kunnen we ook opmerken dat in dit evangelie de hemel niet verwijst naar een goddelijk verblijf maar, zoals de zee, behoort tot de relatieve schepping.

Dit belet nochtans niet dat de hemel, zoals elke relatieve werkelijkheid, dienstig kan zijn als een symbool dat naar het hogere verwijst.

 

 

 

4

jezus heeft gezegd

in zijn dagen zal de oude man niet aarzelen

een klein kind van zeven dagen te ondervragen

naar de plaats van het leven

en hij zal leven

want vele eersten zullen zich laatsten maken

en zij zullen één zijn

 

voor “eersten en laatsten” zie: Mt 19, 30 - Mc 10, 31 - Lc 13, 30

 

 

Van deze woorden van Jezus overleefde in de kanonische evangeliën enkel de voorlaatste regel, in wanorde weliswaar... Een vreemde ontmoeting overigens, die een oude man en een kind van zeven dagen verenigt.

De eerste heeft een gans leven achter zich, het laatste zeven dagen slechts. Uiteraard is het getal zeven, dat verwijst naar het volmaakte, niet toevallig gekozen. Dit kleine kind leeft, onbewust nog van zichzelf, rustig verblijvend in de harmonie van en met zijn levensbron.

Toch is het de katalysator, die het bewustzijn van de oude man zó beroert, dat hij pas nu de ware toedracht van zijn verbondenheid inziet.

Ooit is ook hij een kind van zeven dagen geweest, bevrijd nog van de dwingende eisen van het eigen ik. Nu hij oud geworden is, zijn leven geleefd heeft, zijn strijd gestreden met zichzelf en de anderen en hij zich bewust is dat zijn einde stilaan naderbij sluipt, stelt hij zich vragen.

Als een gelovig man heeft hij zijn leven in een gelovige gemeenschap doorgebracht. Hoewel vrijwel iedereen zich aan de voorschriften van het geloof hield, was er van enig concrete invloed van God nochtans weinig te bespeuren geweest.

De wereld was er tijdens zijn leven niet echt beter op geworden. Immers, wanneer het er op aan kwam, was het toch steeds weer ieder voor zich, was het eigen ik belangrijker dan die beschermheer van boven.

Weliswaar was hij er zich van bewust dat hij van God de mogelijkheden ontvangen had om het hier waar te maken, maar de verdiensten voor wat hij had bereikt had hij toch steeds aan zichzelf toegekend.

Wat hij zich tijdens zijn leven verworven had zou hij weldra moeten achterlaten... “Was het wel de bedoeling van zijn God geweest dat hij hier voor zichzelf iets zou verwerven ? Waren zijn verlangens wel in overeenstemming geweest met het plan dat God met hem had ?

Had hij niet moeten leven als een dienaar van de Heer, die hem alles gegeven had, eerder dan zijn eigen ik als heer te beschouwen ? Had hij zich niet van heer vergist en zich zo van zijn ware Heer afgescheiden ?”

Misschien waren het wel dergelijke gedachten die de oude man in de stilte van zijn eenzaamheid tot bezinning hadden gebracht... En toen gebeurde het dat hij het kleine kind van zeven dagen ontmoette.

Als door een plotse intuïtie verlicht besefte hij dat hij, de eerste, want de eerstgeborene, in eenzelfde verbondenheid met zijn Heer één is met het kleine kind, het laatste, want het laatstgeborene...

Immers, de plaats van het leven, de absolute bron waar het kleine kind nog in verblijft, is ook voor hem de unieke plaats van waaruit hij zijn dienende opdracht als mens te vervullen heeft.

 

 

5

jezus heeft gezegd

erken wat voor je aangezicht is

en wat verborgen is zal zich voor jou ontsluieren

er is inderdaad niets verborgen dat niet zal te voorschijn komen

 

vergelijk: Mc 4, 22 - Mt 10, 26 - Lc 8, 17 en 12, 2

 

 

Dit logion richt onze aandacht op de kennis van het uiterlijke aspect van het koninkrijk, dit dat door ons waarneembaar is: de natuur en haar wetten.

Die kennis noemen we wetenschap. Ook langs die weg kunnen we de rijkdom van de bron erkennen. De moderne mens kan zich beroepen op verfijnde technische middelen om de natuurwetten te doorgronden, de fysiologie van het leven te begrijpen, de subtiele maar ook zo kwetsbare ecologische harmonie naar waarde te schatten.

Via boeken en filmen hebben we het voorrecht het wonderlijke in de natuur te kunnen aanschouwen. Of het gaat om de minerale, de vegetale of de animale wereld, telkens komen we in bewondering voor een levensproces dat gestuurd wordt door een wet, die niet door een mens kan zijn bedacht.

En toch, hoewel de mogelijkheden waarover de mens beschikt de hoogste uitdrukking zijn van die wet, is hij en alleen hij in staat de harmonie zowel buiten als binnenin zichzelf te verstoren...

In de mens kan het leven slechts dan tot vervulling komen, indien ook hij zich laat leiden door de unieke wet van harmonie.

Uit dit logion kan ook die bijzondere boodschap worden afgeleid dat een juiste wetenschappelijke kennis niet strijdig kan zijn met een juist religieus inzicht...

 

 

6

zijn discipelen ondervroegen hem en zeiden

wil je dat we vasten

en op welke manier zullen we bidden

en zullen we aalmoezen geven

en welke voedselnormen zullen we in acht nemen

jezus zei

zeg geen leugens

en wat jullie verwerpen doe het niet

want vóór het aanschijn van de hemel wordt alles onthuld

er is immers niets verborgen dat niet zal te voorschijn komen

en niets dat bedekt is dat niet zal ontsluierd worden

 

 

Het joodse geloof is de religieuze bakermat van de discipelen. Dit geloof houdt heel wat regels en rituelen in. Die eerbiedigen is een noodzakelijke voorwaarde om ooit aanspraak te kunnen maken op een toegang tot het koninkrijk van God.

De weg die Jezus voorhoudt is die van een persoonlijke, innerlijke zoektocht. Bij die weg horen geen geboden of rituelen. Wie zich bewust is geworden van de bron en haar wet, behoeft geen menselijke voorschriften !

De inspiratie uit de bron is een unieke en feilloze gids. Maar ook de mens die de weg gaat blijft een wezen met tekorten en zwakheden. Zijn voornaamste leidraad is een oprechtheid in woord en daad. Wie juist handelt in het lagere, handelt in harmonie met het scheppende, het hogere.

Wie fout handelt ondergaat de wet van het hogere. Alles, het goede als het foute, wordt de mens vóór het aanschijn van de hemel - dit betekent hier en nu - aangerekend. Dit is de wet die in het Oosten de wet van karma genoemd wordt. (zie logion 58)

Rituelen, als symbolische handelingen, kunnen zinvol zijn om een juiste ingesteldheid in het bewustzijn levendig te houden.

Aan opgelegde handelingen, zoals het geven van aalmoezen of het tijdelijk in acht nemen van bepaalde voedselnormen, als een middel om voor zichzelf een toegang tot het koninkrijk te verzekeren, heeft Jezus echter geen boodschap.

Maar, en dit is toch merkwaardig, ook het gebed weerhoudt zijn aandacht niet...

 

 

7

jezus heeft gezegd

gelukkig is de leeuw die door de mens gegeten wordt

en de leeuw zal mens zijn

en te misprijzen is de mens die door de leeuw gegeten wordt

en de leeuw zal mens zijn

 

 

In de mond van Jezus is dit voor ons een verbijsterende beeldspraak, die vaak werd aangegrepen om aan te tonen hoe ongehoord extravagant dit evangelie wel is...

Toegegeven, de interpretatie ervan is niet evident. Sommige commentatoren, en niet de minsten, wijzigden zelfs de volgorde en dus de zin van de woorden om tot een voor hen zinvolle verklaring te kunnen komen.

Het koninkrijk is geen denkbeeldige realiteit in het hiernamaals maar de finaliteit van het leven hier en nu... Omtrent de beleving van dit leven toen en nu nog steeds - blijkbaar is er in twintig eeuwen weinig veranderd - getuigt Jezus hier nochtans van een buitengewone realiteitszin.

Dit logion stelt een dubbele confrontatie voor tussen de mens en de leeuw. Een confrontatie met een weliswaar verschillend verloop, maar die toch leidt tot eenzelfde conclusie : en de leeuw zal mens zijn.

De leeuw, als heerser in het dierenrijk, kan beschouwd worden als het symbool voor de heerser in een lagere levensorde, waarin de mens biologisch leeft maar dood is voor hogere levenswaarden.

Het is de finaliteit van de mens te leven, niet binnen de begrenzing die armoede is of duisternis, maar door optimaal gebruik te maken van de levensmogelijkheden die hem ter beschikking staan.

Om dit te kunnen waarmaken is het noodzakelijk dat hij zijn aandacht richt naar de bron waaruit hij ontvangt, naar het hogere binnenin zichzelf. Blijft hij afgesloten van die bron dan verblijft hij in het gebied van het lagere, daar waar de leeuw heerst.

De wet van de leeuw is de wet van de sterkste, die de mens steeds weer aanzet de confrontatie met anderen aan te gaan, hem dwingt zichzelf te bewijzen volgens regels, die door hemzelf werden bedacht.

Soms hoort men wel eens zeggen: in dit leven zijn er twee soorten mensen: winnaars en verliezers. De winnaars zijn zij die, in hun confrontatie met de leeuw, hebben overwonnen.

Zij hebben het gemaakt en verkeren in de illusie macht te bezitten. Maar in werkelijkheid is hun macht totaal afhankelijk van de wetten van de leeuw, die dollar heet of euro of gewoon machtswellust.

Daarom : gelukkig is de leeuw, want wie macht bezit is ook zijn slaaf geworden. Doorheen de mens zal de leeuw heersen : en de leeuw zal mens zijn. De machtige heerst slechts bij de gratie van de leeuw. Daarom ook is de mens die macht bezit de meest wreedaardige onder de dieren.

De verliezers daarentegen zijn zij die in hun machtsstrijd met de leeuw zijn ten onder gegaan. Hen is een nog minder benijdenswaardig lot beschoren, want machteloos hebben zij de wet van de sterkste te ondergaan.

Een totale afhankelijkheid is hun lot geworden. Daarom : te misprijzen is de mens. Want voor de macht van de leeuw is hij het voedsel geworden. Zoals een dier in jungle of savanne is niet meer “leven” maar “overleven” zijn deel. Ook in hem zal het dierlijke overheersen : en de leeuw zal mens zijn.

Wat hebben we hieruit te begrijpen ? Het gebied waarin de mens te handelen heeft is weliswaar het gebied van de leeuw, maar zijn opdracht is verheven boven iedere confrontatie met de leeuw.

Wie de machtsstrijd met de leeuw aangaat is so wie so een “loser”. Want macht behoort tot het lagere. Hiertoe kan de mens zich enkel laten verleiden door zijn hoogmoed.

Zich onthouden van elke betrokkenheid bij de doelstellingen van de leeuw is daarom de boodschap. Wie zoekt zichzelf te bevestigen volgens wetten van een lagere orde en  macht uit te oefenen, negeert de bron van zijn eigen potentieel en bindt de strijd aan met de leeuw.

Of hij overwint en machtig wordt dan wel verliest en ten onder gaat, steeds neemt het lagere, de leeuw, bezit van de mens.

Ambitie is een natuurlijke stimulans om de eigen mogelijkheden te ontwikkelen en tot uitdrukking te brengen. Dat dit gebeurt in een confrontatie met anderen is kenmerkend voor een tijdelijke levensfase.

Hieruit heeft de mens nochtans te ontwaken.
Wanneer hij tot het bewustzijn is gekomen dat alles wat hij kan niet aan zichzelf is toe te schrijven maar aan een gevende bron binnenin zichzelf, kan hij voor zichzelf geen machtspositie meer opeisen.

(zie ook logion 81 en 110) Hij kan enkel dankbaar zijn en dienen. Zijn opdracht is het wat hij ontvangt uit te drukken in harmonie, volgens een wet die hem niet toebehoort. Die wet behoort niet tot het lagere maar tot het hogere.

De betekenis die we aan dit logion toekennen sluit aan bij het ahimsa principe waarvan Gandhi en later ook Martin Luther King getuigden. Gebruik maken van geweld, zowel door een sterke als door de zwakste, als een uiting van macht of van onmacht, is nooit de juiste keuze !

 

Mogelijkheid om te reageren, om van gedachten te verwisslenen. Als je dat wilt, op de link klikken met de muis:>>>>>> http://www.einzelgangers.eu/phpbb3/viewtopic.php?f=9&t=5<<<<

Laatst aangepast (zondag, 04 oktober 2009 21:26)